Geschiedenis


Ruim Tweehonderd Jaar
Parochie H. Johannes de Doper te Breukelen

De voorgeschiedenisDe oprichting in 1795Groei in de eerste eeuwDe nieuwe kerk in 1884Het Parochiehuis in 1939De Tweede Wereldoorlog 1940-1945Na de oorlogNa het Vaticaans ConcilieNieuwe structuren
De rooms-katholieke parochie van Breukelen is op 22 december 1795 opgericht. Daar werd toestemming voor gegeven door de “aartspriester” van de statie Maarssen, waar katholiek Breukelen toen onder viel.
In die tijd was de katholieke godsdienst in de Noordelijke Nederlanden niet officieel toegestaan. Het Vaticaan bestuurde deze streken vanuit Rome als een missiegebied, met een apostolisch-vicaris en missionarissen, die pastoor werden genoemd. In plaats van de parochies waren er “staties”.
Véél vroeger had Breukelen wel een eigen parochie, zoals blijkt uit de oude Pieterskerk, die nu in gebruik is bij de Hervormde gemeente. Die kerk dateert uit het eind van de vijftiende eeuw (ca. 1480), maar bij de restauratie is gebleken dat er al twee kerken voor geweest kunnen zijn!
Ongeveer dertien eeuwen geleden kwamen Engelse monniken in deze streken het geloof verkondigen. Onder leiding van Willibrord voeren zij bij Katwijk de Rijn op en vestigden zich in Utrecht. Dat was al een grote Romeinse nederzetting en de missionarissen gingen vandaar naar de Friese dorpen langs de oevers van de Vecht.
Zo is van Bonifacius bekend dat hij in 720 in deze streek een houten kerkje stichtte, dat aan Sint Pieter werd toegewijd. Dat zou heel goed op de plaats van de huidige dorpskerk geweest kunnen zijn. In ieder geval staat vast, dat de bisschop van Utrecht kort voor 1048 een kapel of kerkje, gewijd aan Sint Pieter, heeft gesticht voor de bewoners van Breukelen, nadat hij in 953 dit gebied van de Duitse koning had gekregen.
Over die oude parochie is weinig bekend. In de Middeleeuwen stonden de kerken sterk onder invloed van de plaatselijke heersers. Hier waren dat eerst de Friese dorpshoofden en later de kasteelheren van Nijenrode. Die gaven de kerken land en goederen en zorgden voor het onderhoud van de geestelijken. Als tegenprestatie moesten onder andere de preken hun welgevallig zijn!
Bij de Hervorming werd de katholieke godsdienst in 1580 in ons land verboden, maar pastoor Pietersen in Breukelen kon nog tot 1585 blijven functioneren. Toen moest hij vluchten en kwam de Pieterskerk aan de hervormingsgezinden. De pastoor kreeg in Maarssen een nieuwe aanstelling en trouwe katholieken uit Breukelen volgden hem. Ook in de kapel van Nijenrode werden nog enige tijd katholieke diensten gehouden.
In Loenen werd de kerk ook overgedragen en in 1606 ging de kerk van Kockengen over. Bij Nieuwer ter Aa was wel korte tijd een schuilkerkje in Huis ten Honderd. Vanaf 1652 werd er in Slootdijk een schuurkerk gebruikt, halverwege Loenen en Loenersloot. Die stond onder invloed van de kasteelvrouwe van Loenersloot.
Het initiatief voor de oprichting van onze parochie is afkomstig van enkele “Rooms Catholieke” inwoners uit 1790. Ofschoon de katholieke godsdienst toen al 200 jaar niet meer werd toegestaan, waren er in Breukelen dus nog voldoende gelovigen. Dat die een gemeenschap vormden, blijkt wel hieruit, dat in 1744 de zadelmaker en broodbakker Jan Eijkeboom, zijn huis voor 600 gulden beleende ten behoeve van de rooms-katholieke armen! De gelovigen moesten in Maarssen naar de kerk, waar hun “statie” was, maar zij konden ook in Loenersloot terecht.
De tijden veranderden en in Frankrijk vond de Revolutie plaats. Vrijheden en rechten werden opgeëist, ook in ons land. Voor de toestemming om een statie op te richten moest de nieuwe kerkgemeente wel de geldelijke lasten kunnen dragen van een eigen kerkgebouw, van het onderhoud van de pastoor en van het onderhoud van de armen. De aartspriester in Maarssen achtte die lasten in 1790 veel te hoog voor de Breukelse katholieken en hij weigerde zijn medewerking.
De Breukelaars zaten echter niet stil en op 5 oktober 1795 kocht Willem van Blarkom de failliete scheepswerf van Gijsbert Schuyt, “ten behoeve van de roomsche gemeente te Breukelen”. Voor 2900 gulden werd hij eigenaar van het terrein met gebouw, helling, stalling en vier aparte woningen; dat schuin tegenover de dorpskerk was gelegen, waar voorheen het autobedrijf Van Ekris was en nu de Molenwerf is gevestigd.
Reeds twee dagen later, op 7 oktober 1795 (het eerste jaar der Bataafse Vryheydt), vroegen de Breukelse rooms-katholieken, bij schrijven van Willem van Blarkom, toestemming aan de provinciale overheid om een kerk te mogen stichten. De volgende dag werd die toestemming al verleend.
Daarna werd ook weer aan de aartspriester te Maarssen om toestemming gevraagd. Ofschoon die er niet zo gelukkig mee was, reageerde hij positief. Hij benoemde Johannes van Schaik, kapelaan te Soest, tot pastoor van de nieuwe statie.
De nieuwe pastoor bezocht Breukelen en vond er niets in gereedheid, waarna hij teleurgesteld vertrok. Hij wilde dat de kerk tenminste was aanbesteed en dat de armenzaken geregeld waren. Het lijkt erop dat het kerkbestuur pastoor Van Schaik gerust kon stellen, want op 22 december tekent hij het doopboek en is de statie Breukelen opgericht. Met Kerstmis werd de eerste H. Mis opgedragen.
Het kerkbestuur, bestaande uit: Willem van Blarkom, Klaas Velthuysen, Cornelis Degenkamp en Gerrit Verhoef wilde snel de gebouwen renoveren en sloot daarvoor op 3 mei 1796 een hypotheek van 1000 gulden af tegen 4% rente en een lening van 1500 gulden tegen 10% lijfrente. In 1800 werden die leningen afgelost, waarschijnlijk met een nieuwe grotere lening elders.
Op 28 oktober 1796 stelde de aartspriester H. Berendszen te Maarssen, het gebied vast van de nieuwe statie: het Otterspoorbroek gedeeltelijk, vanaf de Haarrijn tot de Vecht, vanaf de hofstede Rietveld; met Breukelen, Cortrijk, Oud Ai, Breukelerwaard, Ruwiel, Kievietsbuurt, Breukeleveen; Ter Aa, tot aan de sluis van Nieuwersluis, met het Tolhuis en het Huis ten Hondert en met het Noordeinde van Portengen. Op 2 april 1797 wordt daarbij nog een toevoeging geplaatst voor de gerechten rond Cortrijk.
Met de pastoor van Slootdijk had pastoor van Schaik echter een verschil van mening over de grens van de staties. Op 7 aug. 1797 werd daarover geklaagd bij de aartspriester; waarna het Tolhuis en het Huis ten Hondert aan Slootdijk bleven. De omvang van de nieuwe statie bestond toen uit 400 communicanten van Maarssen en 100 van Teckop en Slootdijk.
Voor het onderhoud van hun armen vroeg het kerkbestuur aan de statie Maarssen een aandeel in de goederen die vroeger voor de armen van Breukelen bestemd waren. Die werden nu naar Maarssen gestuurd om ondersteuning. Maar daar weigerde men om de Breukelaars te bedelen, want in de kerk te Breukelen werd voor de eigen armen zelfs geen collecte gehouden! De rechter kwam er aan te pas en op 26 november 1798 werden de armmeesters van Maarssen veroordeeld om af te staan: “de hofstede met 32 morgen land, gelegen in het zuiden van Portengen, die door Jacobus Bijlevelt in 1736 gelegateerd was aan de Rooms-Catholieke armen van die gemeente van zijn Pastorye”.
De naam van de statie Breukelen wordt in de bekende stukken niet vermeld. Er wordt steeds gesproken van de R.C. Gemeente te Breukelen. Pas in 1855, bij de instelling van de kerkelijke hiërarchie in Nederland, wordt de parochie beschreven als H. Joannes den Dooper. Het is niet duidelijk of die naam al langer in gebruik was. Mocht deze naam teruggaan tot de oprichting van de statie, dan is het mogelijk dat er een verband bestaat met de voornaam van de eerste pastoor Johannes van Schaik.
Na de oprichting van de R.C. Gemeente Breukelen, op 22 december 1795, brak er een tijd van groei en ontwikkeling aan. Het rooms-katholieke geloof was door de jarenlange isolatie in Breukelen niet verdwenen.
Bij de oprichting van de nieuwe parochie waren er 500 “communicanten”, wat zoveel wil zeggen als: personen die de communie mochten ontvangen. De kinderen werden kennelijk nog niet meegeteld.
In 1808 telde de statie al 804 “zielen” en 638 communicanten, waaruit blijkt dat er een flinke groei was. Wat daarvan de oorzaak was laat zich raden. Misschien droeg de armenzorg daaraan bij, in een tijd zonder sociale voorzieningen. Of had pastoor Johannes van Schaik de uitstraling van Johannes de Doper? Hij overleed in januari 1813 en werd begraven in Soest.
Zes jaar later was het aantal “zielen” gestegen tot 900 en bedroeg de schuld 9000 gulden. Maar de kerk was in goede staat.
Het eerste orgel werd in 1829 vervangen door een nieuw instrument, dat geschonken werd door de weduwe van de eerste organist Bartholomeus van Eyck. Het werd in onze eeuw elektrisch aangedreven en zou tot 1950 in deze parochie functioneren.
Ook werd in 1829 in Breukelen de algemene begraafplaats in gebruik genomen. De katholieken vroegen acht jaar later om een eigen gedeelte daarvan. Maar dat werd door de gemeenteraad geweigerd. Kerkmeester A. Reuken stelde daarop een gedeelte van zijn boomgaard aan de Broekdijk ter beschikking, en daartegen werd geen bezwaar gemaakt. Zo werd in 1838 de katholieke begraafplaats in gebruik genomen, tegenover het vroegere ns-station, waar tot 1948 werd begraven.
In Kockengen werd in 1852 een nieuwe parochie opgericht en een deel van de parochianen ging daarheen.
Een jaar later werd in het Koninkrijk der Nederlanden het Bisschoppelijk Kerkbestuur hersteld, waarna op 11 maart 1855 de parochie van de H. Joannes den Dooper werd opgericht, in het dekenaat Naarden.
Door een gift met een waarde van 500 gulden, konden er in 1855 kruiswegstaties in de kerk worden geplaatst.
De pastoor werd al vanaf 1807 bijgestaan door een kapelaan. Maar vanaf 1865 waren er twee kapelaans en tussen 1875 en 1878 zelfs drie! Na 1883 was één kapelaan weer voldoende en dat bleef zo tot in de zeventigerjaren van de vorige eeuw.
Pastoor Van Vuuren liet in 1880, door H. Degenkamp, de buitenplaats Vroeglust kopen en die als pastorie inrichten. In de boomgaard, aan de overkant van de Herenstraat, werd in 1884 de tegenwoordige kerk gebouwd, volgens een ontwerp van architect E.J. Margrij uit Rotterdam. Het kerkbestuur, bestaande uit de pastoor en de heren W. van Weerdenburg, C. van Oostwaard, C. Baas en P. Versteegh, schreef daarvoor op 1 mei 1884 een lening uit van zestigduizend gulden, tegen vier procent rente. Op 12 december werd de nieuwe kerkklok van St. Jan de Doper gewijd en reeds op 18 december 1884 werd in de nieuwe kerk de eerste H. Mis opgedragen. Een halfjaar later werden de nieuwe kruiswegstaties geplaatst en gewijd, dezelfde schilderijen die er nu nog hangen.
De oude kerk, aan de Straatweg bij de Danne, werd in 1886 als parochiale school in gebruik genomen, uitgebreid met naai- en bewaarscholen, terwijl de oude pastorie, drie jaar later, werd betrokken door de Zusters van het H. Gezelschap Jezus-Maria-Jozef.
In 1904 werd de congregatie voor meisjes opgericht, onder de titel van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Het nieuwe klooster naast de kerk, werd in 1912 in gebruik genomen door de Liefdezusters en onderwijzeressen. In datzelfde jaar werd ook de nieuwe school aan de andere kant van de kerk gebouwd. Het oude complex bij de Danne werd verkocht aan de wagenmaker J. Wensveen, waar Gerrit van Ekris auto’s ging repareren. Voor de bouw van de school werd een geldlening van 15000 gulden aangegaan, tegen 4% rente, door middel van obligaties van 250 gulden. Voor het klooster werd een renteloze lening uitgeschreven, met aandelen van tien gulden. De activiteiten waren toen niet van de lucht, want in 1912 werd ook de R.K. Bibliotheek in gebruik genomen.
In 1922 werd pastoor Pieck benoemd tot deken van het dekenaat Breukelen. Hij heeft tussen 1918 en 1935 veel gedaan aan de verfraaiing van het kerkinterieur, zoals de plaatsing van gebrandschilderde ramen. Zelf schonk hij het raam dat herinnert aan de H. Nicolaas Pieck, een van de martelaren van Gorcum uit de tijd van de Reformatie.
Uit deze gegevens blijkt wel dat de parochie er veel voor over had om goed voor de dag te komen.
In de eerste 150 jaar van onze parochie, sinds de oprichting op 22 december 1795, lag de nadruk vooral op het kerkgebouw en alles wat daarin gevierd werd. De pastoor had de belangrijkste stem, als het ging om initiatieven en besluiten. Een klein kerkbestuur stond hem bij voor financiële en technische zaken, terwijl de kapelaan hem assisteerde in liturgische en verenigingszaken. De band met de parochianen werd onderhouden met een parochieblad, dat vanaf eind 1929 bestaat.
In het begin van de vorige eeuw werden er afdelingen van de verschillende rooms-katholieke standsorganisaties in Breukelen opgericht: 1917 R.K. Werkliedenvereniging St.Joseph (C. de Ruiter was 20 jaar de voorzitter van deze latere KAB); 1931 Jonge Boerenbond; 1932 Algemene Boeren- en Tuindersbond. (Opmerkelijk is dat pas in 1947 de R.K. Boerinnenbond werd opgericht). Ook waren er de Middenstandsvereniging en de Jonge Werkman.
Na deken Pieck werd H.F. Frank hier één jaar pastoor en in 1936 kwam J. van der Burg. Hij is de stichter van het parochiehuis, dat in 1939 werd gebouwd onder architect A. Godefrooy. De kosten werden gedekt door de verkoop van het kloostergebouw aan de Congregatie van de Zusters van Jezus-Maria-Joseph. Er was tot die tijd wel een parochiezaal boven de meisjesschool, maar die werd gebruikt als bewaarschool voor de kleuters.
Bij de ingebruikname van het parochiehuis op 16 juli 1939, sprak pastoor Van der Burg over de maatschappelijke ontwikkelingen, de armoede, de ellende en zorg, die verslapping en afstomping van het godsdienstig leven meebracht. Hij herinnerde aan de uitspraak van paus Pius X (1903-1914), die vond dat “iedere parochie de beschikking moest hebben over een aantal leken die, goed onderlegd en deugdzaam, ware apostelen moeten zijn”. Pius XI (1922-1939) had dit idee uitgewerkt tot de Katholieke Actie, om de invloed van het christendom op de “doodzieke maatschappij” te heroveren. De Katholieke Actie was: het deelgenootschap van leken aan het hiërarchisch apostolaat, in de eigen omgeving van familie en werk. Voor de vorming en binding van dit lekenapostolaat was het parochiehuis bedoeld.
Op 13 juni 1939 was de Vereniging Katholiek Breukelen opgericht en het “Comité voor de Actie naar de Nieuwe Gemeenschap”. De eerste vereniging, onder voorzitter C.F.W. de Vries, was een bundeling van de bestaande katholieke verenigingen in de parochie, en die werd dan ook belast met de exploitatie van het parochiehuis. Door dit gebouw zou de activiteit van de leken in de plaatselijke katholieke verenigingen toenemen.
Het aantal organisaties groeide, o.a. met: R.K. Kruisvereniging Het Wit-Gele Kruis; R.K. Staatspartij (later de KVP); Verkenners en Gidsen; Katholieke Jonge Meisjesvereniging; R.K. Vrouwengilde; R.K. Dameskoor; R.K. Toneelvereniging (tot 1947 alleen voor heren); K.A.J.(1947).
Op 10 mei 1940 capituleerde Nederland voor de Duitse invasie en begon de bezetting, met talrijke dwingende maatregelen. Zo mochten vanaf januari 1941 de kerkklokken alleen nog worden gebruikt als veilig-signaal bij luchtalarm! Op 22 februari 1943 werd onze klok (van 1150 kg) zelfs weggehaald om er munitie van te maken. Het kerkbestuur werkte er niet aan mee, maar dat mocht niet baten.
In april 1942 kwam er van de bezetter voor vijf katholieke verenigingen een vergaderverbod voor het parochiehuis en gebouw Salvatori. Zij mochten wel in Het Staete Wapen vergaderen, maar dat wilde men niet omdat een lid van de NSB de exploitatie leidde. Het kerkbestuur vroeg advies aan de bisschop en Mgr. De Jong antwoordde dat deze verordening moest worden geweigerd!
In januari 1944 werden de parochianen in een rondschrijven opgewekt om het zilveren priesterfeest van de pastoor groots te gaan vieren, evenals het 150-jarig bestaan van de parochie, eind 1945. Men wilde een nieuw orgel aanschaffen en eventueel ook nieuwe kerkklokken! Er werd met geen woord gerept over de bezetting of over oorlogsproblemen: dat was taboe!
In oktober 1945 werd pastoor Van der Burg opgevolgd door J.B. Leisink, die in maart 1948 tot deken werd benoemd.
In die tijd maakte de gemeente een begin met de aanleg van de begraafplaats aan het Zandpad, op grond van onze parochie. In juni 1948 kon het nieuwe kerkhof worden ingewijd, waarna de wed. P. Vulto-De Lange de eerst-begravene werd op het rooms-katholieke gedeelte. In die maand waren ook de drie nieuwe klokken in de toren geplaatst, zodat er weer geluid kon worden.
Om een indruk te geven van de katholieke activiteiten die toen in Breukelen plaatsvonden is hier een voorbeeld uit de periode 1948 tot 1950:

  • Veertig-urengebed;
  • Bedevaart naar Heilo;
  • Sociale Zondag van de Katholieke Actie;
  • Vormingsweek voor jongens en meisjes van 17 tot 25;
  • Bedevaart naar Den Briel;
  • Intronisatie van het H. Hart;
  • Bijeenkomst van de Retraitespaarclub;
  • Verloofden-weekend;
  • Jeugdweek voor meisjes van 14-15 jaar;
  • Eeuwfeest van het Scapulier van de Berg Carmel;
  • Oprichting afdeling van de Vereniging tot Hulp aan Stervenden;
  • Triduüm van de Broederschap van het H. Sacrament des Altaars.

De zusters verzorgden in Breukelen het onderwijs aan de meisjesschool en aan de kleuter- of bewaarschool. Zuster Willibrord leidde de meisjesschool zelfs van 1928 tot 1950. Na de oorlog kampten de zusters echter met een tekort aan roepingen en daarom moest het klooster te Breukelen in 1954 worden gesloten. De jongensschool en de meisjesschool werden samengevoegd tot een gemengde basisschool, met lekenonderwijzers en -onderwijzeressen.
De nieuwe zesklassige Willibrordusschool startte op 1 september 1954, met aan het hoofd H.J. Schalkx, die al vanaf 1931 de jongensschool leidde. Ook Mej. A. van ‘t Nederend stond al vanaf dat jaar voor de klas. Twee jaar later; in 1956, nam J. Jütte de leiding van de school over. In 1961 werd het nieuwe schoolgebouw in gebruik genomen, in de nieuwe wijk Noord. Inmiddels was er in 1955 ook een Mater Amabilisschool voor werkende meisjes gestart.
Op 17 juni l955 werd in de kerk de eerste plechtige avondmis opgedragen, ter ere van het H. Hartfeest. De tijden veranderden, want ‘s avonds werd er tot die tijd alleen Lof gezongen!
Vermeldenswaard is ook, dat op 2 september 1955 in onze parochie een nieuwe kapelaan uit Hilversum werd benoemd, de neomist B.M. van Zadelhof. Hij bleef hier tot september 1957, toen hij naar Velp ging. Sinds 1993 is hij echter weer regelmatig onze voorganger en in 1995 heeft hij in onze parochie zijn veertigjarig priesterschap gevierd.
Om de opgroeiende jeugd te bereiken, werd in mei 1956 in het parochiehuis de Instuif opgericht, met het doel om op georganiseerde avonden in katholiek milieu, beschaafde ontspanning te bieden in de vorm van dans, film, toneel e.d. Hieruit is later de carnavalsvereniging De Leuteraers ontstaan. In latere jaren was ook de sociëteit Petulia, in de kelder van het parochiehuis, bedoeld om de jeugd te bereiken.
Het kloostergebouw werd in 1958 door het kerkbestuur teruggekocht van de Congregatie. En in november 1959 werd de parochie Loosdrecht opgericht, waardoor onze parochie weer een grenswijziging kreeg.

Op 16 februari 1960 werd G.A. van Schaik onze pastoor, maar reeds in 1962 werd hij opgevolgd door Dr. J.H.R. Hunfeld.
Tussen 1962 en 1965 werd het Tweede Vaticaans Concilie gehouden, waar o.a. het besluit viel om de vieringen naar de gelovigen te richten, met gebruik van de landstaal. De vernieuwde liturgie werd advent 1964 ingevoerd, maar voor het nieuwe altaar werd pas in 1968 een loterij georganiseerd, die ook nog voor de restauratie van het kerkgebouw bestemd was.
Het zangkoor, onder leiding van meester Schalkx, bleef nog Latijn zingen, tot de komst van L.A. Smith als dirigentorganist in 1971. Sommige zangers waren ruim 50 jaar lid, zoals G.M. van Riet en H. Jongeling. Sopranen en alten zongen vanaf 1962 met de mannen mee.
In oktober 1969 werd Dr. Th.J. Beening hier tot pastoor benoemd, de docent Nederlands en specialist in bijbelkennis. De laatste kapelaan was Paul J.M. Brenninkmeyer, die vanaf 1965 in Breukelen stond. Onder zijn leiding werd in 1969 in Breukelen de eerste Wereldwinkel geopend, waar producten uit de Derde Wereld tegen redelijke prijzen te koop zijn.
Toen de kapelaan in 1971 werd overgeplaatst, stond de pastoor er alleen voor. Om hem te ontlasten werd de Parochiële Werkgroep opgericht, speciaal voor de nieuwe themavieringen.
Pastoor Beening deed veel aan het contact met de andere kerken in Breukelen. Zo leidde hij al in 1972/73 een oecumenische gespreksgroep, waarin de visie van de verschillende kerken op belangrijke geloofszaken werd belicht.
In januari 1974 brak er een smeulbrand uit achter het altaar, die veel roetschade veroorzaakte aan de muurschilderingen en het orgel. Aan het houten plafond en bovenaan de muren is dit nog steeds te zien. Het herstel werd aangegrepen om het orgel en het zangkoor naar beneden te plaatsen, in het centrum van de vieringen. Op 21 februari 1975 werd dat gevierd.
De kontakten tussen de verschillende plaatselijke kerkelijke groeperingen, leidden op 10 mei 1974 tot de opening van het Centrum voor Maatschappelijke Dienstverlening voor Breukelen en Loenen. In dat jaar was er al een samenwerking tot stand gekomen tussen Hervormde, Gereformeerde en Katholieke Caritas, Gezins- en Bejaardenzorg en Maatschappelijk werk. Dit was een belangrijke mijlpaal in de interlevensbeschouwelijke samenwerking. Zo was de Stichting Kraamzorg voortgekomen uit het Kraamcentrum van het Wit-Gele Kruis, waarvan zuster P.J.M. Beemer sinds 1955 de leidster was. Zij had in 1950 de laatste religieuze zuster opgevolgd en leidde de nieuwe stichting tot september 1976.
De interkerkelijke kontakten hadden ook geleid tot de Scheendijk-appels, die vanaf 1976, op zondagmorgen in de zomermaanden, voor de watertoeristen werden gehouden.
En op 10 februari 1980 ging Breukelen nationaal, met de uitzending van een eucharistieviering via de KRO televisie.
Kerkbestuur en parochiële werkgroep raakten met elkaar vergroeid en daarom werd in februari 1980 de werkgroep voor liturgie opgericht. Voorzitter was L.A. Smith en de taak werd het voorbereiden van themadiensten en wellicht ook lekendiensten, als het afnemende aantal priesters dit nodig zou maken.
In januari 1982 volgde de omvorming van het kerkbestuur in het parochiebestuur, met de nieuwe parochievergadering. In november 1981 waren hiervoor verkiezingen gehouden en J. Poot werd de eerste voorzitter.
Een historisch besluit was de verkoop van de pastorie Vroeglust in oktober 1982, omdat pastor Beening vond dat een kleinere woning beter bij de nieuwe tijd paste. Hij verhuisde naar de Straatweg, maar na zijn vertrek werd de woning weer vervangen door de tegenwoordige pastorie “De Bron”. Het voormalige kloostergebouw kon ook worden gemist en het werd dan ook in 1983 verkocht, gesloopt en vervangen door 24 woningen, thans het Kloosterhof
Het parochieblad “De Band” werd tot medio 1983 door de pastor zelf getypt en verscheen als een enkel blaadje. Het parochiebestuur stelde een redactiecommissie in en het blad kreeg toen zijn tegenwoordige vorm en “pre-digitale” uiterlijk.
De eerste “viering zonder pastor” vond plaats op 5 mei 1984. Dat was zorgvuldig voorbereid door de pastor en de werkgroep liturgie. Pastor Beening nam in oktober 1984 afscheid en vertrok naar Winterswijk, waar hij in april 1988 overleed. Hij werd in Breukelen begraven.
Hij werd opgevolgd door pastor Rein S. van Mierlo, van oktober 1984 tot maart 1993. Op zijn fiets was hij dikwijls in het dorp te zien, onderweg naar parochianen of anderen die hij thuis ging opzoeken. Hij moest ons in het voorjaar van 1993 wegens ziekte verlaten en overleed al in december te Arnhem.
In april 1986 had ook de laatste koster W. Steenbrink afscheid genomen en met hem stopte ook de R.K. Begrafenisonderneming in Breukelen.
De parochie liep sinds 1993 geheel op eigen benen. Maar pastor Th. de Wit van Maarssenbroek, sinds 1 juli 1995 deken van Utrecht-Oudenrijn, hield liefdevol toezicht. Vanaf september 1994 werd de parochie ook praktisch begeleid door André Monninkhof als pastoraal werker. In januari 1997 werd hij diaken gewijd en oktober 1997 priester, waarmee er een einde kwam aan het eerste pastorloze tijdperk. Hij werd terzijde gestaan door pastor H. Huisin’tveld o.p.
In oktober 1999 vertrok pastor Monninkhof naar de regio Ulft en brak het tweede pastorloze tijdperk aan. Pastor Huisin’tveld bleef zoveel mogelijk de pastorale en liturgische taken verrichten terzijde gestaan door pastor B.M. van Zadelhof.
Mei 1997 werd een Renovatiecommissie geïnstalleerd, die een grootscheepse renovatie van het kerkgebouw ging voorbereiden. Op 1 april 1998 werd met het verwijderen van de haan van de toren een begin gemaakt met dit meerjaren project. Inmiddels is de toren aan de buitenzijde gerenoveerd, zijn de prachtige glas-in-loodramen gerepareerd en van nieuwe voorzetbeglazing voorzien en is het orgel geheel gereviseerd. In de tweede helft van 2001 is de toren aan de binnenzijde gerestaureerd en de klokkenstoel met luidwerk vernieuwd. Dit deel van de renovatie is door een gift van de Stichting SBB Fonds mogelijk gemaakt. Deze Stichting had ook het plan opgevat om de gemeente Breukelen als millennium geschenk een carillon aan te bieden. Dit carillon zou in de toren van onze kerk een plaats krijgen. Een kleine groep inwoners van de gemeente had echter bezwaren hiertegen en heeft de Stichting van zijn plannen afgezien. In plaats hiervan heeft de Stichting de kerk een vierde luidklok aangeboden.

Sinds september 1998 is men in gesprek over een tot stand komen van een regio. Samen met de H. Hartparochie van Maarssen, de Verrijzenisparochie van Maarssenbroek en de Onze Lieve Vrouw Ten Hemelopneming van Kockengen probeert men in de toekomst een regio te vormen. Het doel is om gezamenlijk te komen tot een goede vorm van samenwerking en uitwisseling op allerlei gebied. In dit regioverband is per 1 oktober 2000 pastor P.M.M. Poppelaars ook benoemd tot pastoor van de H. Johannes de Doperparochie.
Het parochiebestuur, samen met pastores, de werkgroepen, commissies, acolieten, misdienaars, zangers, doeners en zorgers, bewijzen dat onze parochie een levende gemeenschap-op-weg is, die echt voor zichzelf wil zorgen.

Met dank aan:
M.A. Perdon z.g. voor het vele materiaal dat hij in 1985 verzamelde en ordende, bij gelegenheid van het eeuwfeest van de parochiekerk.