Schapen


Ezechiël 34: 11 en 12: “Want, zegt Jahwe de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en dichte duisternis.”

Het beeld van een herder met zijn schapen vinden we vaak terug in de Bijbel. Voor ons is dat iets nostalgisch en leuk voor een dagje op de hei, maar of we het beeld goed begrijpen is misschien de vraag. Het gaat om de zorg voor iets wat je kostbaar is terwijl er meer dan genoeg voor handen is. Voor een herder is elk schaap kostbaar en kent hij deze. Een boer met melkkoeien heeft hetzelfde. Hij kent ze, kent hun gedrag en draagt grote zorg voor hen. Mocht een koe afdwalen, dan gaat hij er achteraan en brengt het voor veilig in de stal.

Zo kijkt God naar ons en maakt zich zorgen dat we niet afdwalen, onszelf beschadigen en Hij heeft mensen geroepen om voor ons te zorgen. Dat zijn de herders van de kerk, de priesters en bisschoppen. Wanneer zij hun werk niet goed doen, dan dwalen wij af. God zal alles in het werk stellen om ons weer terug te vinden, dat wij Hem weer terugvinden. Wat we ook doen, welke wegen we gaan, er is altijd de Herder die ons zoekt en die ons thuisbrengt.