gezalfd


1 Samuel 26: 7-9. “David en Abisai kwamen in de nacht bij het leger aan en daar lag Saul in het wagenkamp te slapen. Zijn lans stond bij zijn hoofdeinde in de grond gestoken; Abner en zijn mannen lagen in een kring om hem heen. Toen zei Abisai tot David: `Nu levert God uw vijand aan u over. Laat mij hem met zijn eigen lans aan de grond priemen! Een stoot! Meer is niet nodig!’ Maar David zei tot Abisai: `Neen, dood hem niet! Wie slaat ongestraft de hand aan de gezalfde van Jahwe?’

 

David doodde Saul niet omdat Saul een door God gezalfde koning was. Zelfs in de overlevingsstrijd bleef bij David het besef dat Saul door God gekozen was.

Door de doop zijn wij ook gezalfden van God. Door het inblazen van de levensadem is elk mens een drager van God. Wanneer we zo naar elkaar kijken, als schepselen en kinderen van God, dan gaan we anders zien. Wie is die mens en hoe werkt God in deze persoon? Wat voor moois is in deze mens aanwezig en wat zou deze mens in de ontmoeting voor betekenis hebben? Respect voor de ander, respect voor het leven dat gegeven is om met elkaar te delen. Het leven van God in elk mens nodigt ons uit om zorgvuldig met elkaar om te gaan, om met Gods ogen te kijken naar de ander als broer en zus van hetzelfde gezin, dezelfde oorsprong en dezelfde bestemming.